Statuten van de St. Jorisgilde, circa 1660
Statuten van de St. Jorisgilde, circa 1660

Renaissance

Ten jare 1538 werd in de kerk van Loenhout een nieuw altaar voor St.-Joris geplaatst tegen een pilaar waar voorheen een beeld van Sint Geertruide had gestaan. Er staat ook geschreven dat boven het altaar een prachtig beeld van St.-Joris werd geplaatst.

Nog voor dit alles in regel was, gaf een zekere Cornelis Bode, zonder twijfel een gildenbroeder, bij schepenakte een jaarlijkse rente van vier Carolusgulden aan de gilde van St.-Joris en stichtte daarmee een wekelijkse mis aan dit voornoemde altaar, en te celebreren op het zelfde uur als de zondagse Hoogmis en dit eeuwen ten dage. Hierbij moest een gebed worden gedaan voor de lafenis van de zielen van de stichter der gilde en de overledenen van St.-Jorisguld.

Nog een derde stichting vinden we terug in het belang van de St.- Jorisgilde. Op 2 april 1642, gaf de Eerzamen heer Peeter Joos Gilsmans bij testament een kapitaal van vierhonderd Carolusgulden aan den Edelen Ridder van St.-Joris. Deze som moesten de dekens gebruiken voor:

  • Het stichten van een mis tot lafenis van zijn ziel, en deze te doen de dag na verloren maandag.
  • Het herstellen of hermaken van het altaar van St.-Joris indien dit nodig mocht zijn.

Uit deze periode, bij het ontstaan van de Loenhoutse St.-Jorisgilde, zijn wij heden ten dage nog in het bezit van een prachtig St.-Jorisbeeld dat destijds prijkte boven het St.-Jorisaltaar. Het is een Albasten St.-Jorisbeeld, 36 cm hoog en 18,5 cm breed; deze afmetingen komen overeen met de periode uit de Engelse halfverheven beelden. De herkomst is niet meer te achterhalen. Toch zijn er verschillende visies die dit beeld situeren in de periode van 1415-1450. De wapenuitrusting van de heilige komt bovendien overeen met diegene die wij aantreffen op de praalgraven uit de tijd van de Engelse Lancaster periode. Volgens de bekroning zou dit albast dateren uit de periode 1415-1450 (Squilbeck in HOK, 1938). De oudheidkundige inventaris van kunstvoorwerpen der provincie Antwerpen omschrijft het beeld als volgt:

St.-Joris te paard bekampt de draak, die aan de voeten van St.-Margaretha sterft; op de achtergrond staan twee torens; op het toppunt van de torens staan de hoofden van de ouders der heilige; een doorwerkt verhemelte bekroont de samenstelling, waarop nog sporen van een veelkleurige beschildering zichtbaar is.

Uit een latere periode (1539) vinden wij in het gemeentearchief een akte van bestelling gedaan aan meester Jan Van Velthoven uit Breda. De bestelling werd gedaan door Marcus Luycx, schout en hoofdman van de gilde St.-Joris. Hierbij enkele uittreksels uit de tekst:

Jan Van Velthoven, beeldsnijder, wonende te Breda heeft aangenomen te leveren een beeld van St.-Joris te paard met de draak, met de maagd, om dit op de beste manier uit te voeren en zelf te maken voor de prijs van zestien Carolusgulden. De man zittend op het paard en zal hebben een zwaard in de rechterhand en zal met de rechterzijde staan op de beste manieren en het schoonst zijn gemaakt. De man moet op het paard zitten en het paard moet springen met de voorste poten over den draak- Dit alles te leveren voor St.-Jorisdag van dat jaar. De twee dekens van de gilde, Peeter van der Buyten en Hendrick van Aerde zijn aangesteld als keurmeesters.

In deze akte wordt niet over het te gebruiken materiaal gesproken. Of het iets te maken heeft met het prachtige Sint Jorisbeeld, in het bezit van onze gilde, is niet bekend. De afbeelding van het bestaande beeld komt echter wel overeen met de vooropgestelde opdracht. De akte over deze bestelling is terug te vinden op het rijksarchief, gemeentearchief van Loenhout, onder het nummer 1176.

In de kerk van Loenhout hadden twee gilden hun altaar: de Sint-Sebastiaansgilde in de rechter dwarsbeuk en de Sint-jorisgilde in de linker dwarsbeuk. De handboog had haar altaar versierd met een prachtig oud beeldje van de patroon, maar dit werd tussen 1920 en 1929 uit de kerk gestolen (Verslag voor de Provinciale Commissie door onderwijzer L.Bresseleers 1929).

De beide altaren werden in 1940 vernield toen de kerk grotendeels uitbrandde bij de oorlogsbombardementen. Bij de heropbouw in 1949 was er voor beide altaren geen plaats meer.